Bepaalde lidwoorden

 

De bepaalde lidwoorden de en het vertaal je in het Duits met der, die, das en die(mv)

De functie van het zelfstandig naamwoord (het is onderwerp of lijdend vwp enz.) bepaalt in welke naamval het zelfstandig naamwoord staat en dus welke vervoeging van het lidwoord gebruikt dient te worden.

Om de naamvallen te kunnen gebruiken moet je kunnen ontleden! Ook moet je weten welk geslacht het zelfstandig naamwoord heeft.

Het onderwerp en het naamwoordelijk deel van het gezegde komen overeen met de 1e naamval.

Het meewerkend voorwerp komt overeen met de 3e naamval.

Het lijdend voorwerp komt overeen met de 4e naamval.

De tijdbepaling zonder voorzetsel staat ook in de vierde naamval.

De 2e naamval wordt gebruikt om “bezit” uit te drukken. Als je het kunt vertalen met van de of van het, gebruik je de 2e naamval. Voorbeeld: de vrouw des huizes ( de vrouw van het huis) ß ouderwets Nederlands, maar vast niet onbekend bij je.

 

Naamvallen mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
1e Der Die Das Die
2e Des -s, -es Der Des -s, -es Der
3e Dem Der Dem Den  -n
4e Den Die Das Die

 

Bij de tweede naamval mannelijk en onzijdig krijgt het zelfstandig naamwoord een –s of een –es. Voorbeeld: Der Vater des Kindes ( en niet: der Vater des Kind) Een kort zelfstandig naamwoord krijgt in de regel een –es, een lang zelfstandig naamwoord krijgt in de regel een –s . Voorbeeld: des Kindes, des Wagens.

Bij de derde naamval meervoud volgt een –n.  Den Kindern habe ich es gegeben. ( en niet: Den Kinder habe ich es gegeben.)

 

Dit schema moet je uit je hoofd leren! Heb niet de illusie dat het moeilijk is, omdat je het na één keer overlezen niet kent.

Übung macht den Meister.( oefening baart kunst, hoe vervelend en saai dat oefenen ook mag zijn.)

Dus..oefenen dan maar???

Advertenties