Oefenen met ontleden

Bepaal voor de volgende zinnen de persoonsvorm(pv), het onderwerp(o), het lijdend voorwerp(lv), het meewerkend voorwerp(mv), de tijdsbepaling zonder voorzetsel(t), het naamwoordelijk deel van het gezegde(ng). Let op: niet in iedere zin zit ook alles.

Kijk eerst naar het voorbeeld.

De man geeft het kind iedere zaterdag een nieuwe bal.

Hoe vind je nu de persoonsvorm? Maak de zin maar vragend. Geeft de man het kind enz.

pv=geeft

Hoe vind je nu het onderwerp?

Vraag eens: wie geeft.

o=de man

Hoe vind je nu het lijdend voorwerp?

Vraag eens: wat geeft de man

lv=een nieuwe bal

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?

Vraag eens:aan wie geeft de man een nieuwe bal?

mv=het kind

Wordt er iets vermeld over tijd?

Ja. iedere zaterdag.

Iedere is geen voorzetsel, dus…

t=iedere zaterdag

Waar is het naamwoordelijk deel van het gezegde? Nou, dat is er deze keer niet.

Doe nu hetzelfde met de volgende zinnen.

  1. Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen?

  2. Jan Janssen is de eerste kandidaat.

  3. Heb jij gisteren het journaal gezien?

  4. Hoge bomen vangen veel wind.

  5. Doe de deur dicht!

Oplossingen

Advertenties